© J.C. Terluin - 2009
 
     
van Teyens Fundatie
     
fam. van Teyens
     
  oudste generatie  
     
  stamboom (1)  
     
  1500 - 1600  
     
  17e eeuw  
     
  familiewapen  
     
  rouwborden  
     
  stamboom (2)  
     
  stamboom (3)  
     
  1600-1700  
     
  18e en 19e eeuw  
     
  dorpskerk  
     
  1700-1800  
     
  1800-1900  
     
     
đ

TIJDSBEELD 1800 – 1900

19de eeuw:

Deze eeuw begint met de Franse bezetting, die ongeveer 20 jaar zou duren. Al heel gauw merkten de mensen dat de Fransen niet die vrijheid hadden gebracht, die ze zich voorstelden. De bevolking werd weer geplaagd met de hoge oorlogslasten van Frankrijk, waarbij ze weer hoge belastingen moesten opbrengen. De handel, waar ons land van leefde, werd stilgelegd, met name die op Engeland, een zeer belangrijke handelspartner. Het Continentaal Stelsel, door keizer Napoleon ingesteld, heeft ons land grote schade toegebracht. Voorts was daar de gedwongen loting, waarbij jonge mannen werden gedwongen dienst te nemen in het Franse leger. Vooral de veldtocht naar Rusland heeft duizenden landgenoten het leven gekost. Het gehele volk verarmde.

Toen ons land in 1814 een koninkrijk werd onder de oudste zoon van de laatste stadhouder, Willem I, moest hij een bijna failliete boedel nieuw leven inblazen. Door het oprichten van de Nederlandse Handelsmaatschappij, het aanpakken van de infrastructuur van het nieuwe koninkrijk, door het graven van kanalen, waarbij streken in het zuiden, oosten en noorden werden ontsloten, zodat zich daar ook industrie kon ontwikkelen, kwam ons land er weer enigszins bovenop. De bevolking was echter door ondervoeding zo achterop geraakt, dat er buitenlandse arbeidskrachten moesten worden aangetrokken om veel werk te doen.

In 1825 werd Friesland getroffen door een overstromingsramp, waarbij 2/3 deel van de provincie onder water werd gezet. Op 3 februari begon het zeer hard te waaien en tezamen met een springvloed braken in het zuidwesten de dijken en overstroomden Lemsterland en Weststellingwerf. Ook de binnendijken hielden het niet en daardoor stroomde het zeewater steeds verder het Friese land binnen, zelfs tot Drachten toe. Vooral het lage midden en het zuidwesten van de provincie hadden veel te lijden. De storm hield tot 8 februari aan. Veel mensen en vee verdronken in de koude golven. De Slachtedyk hield tenslotte op het nippertje, verdedigd met man en macht, het zeewater tegen. Gevolg was, dat bouw- en weiland werd bedorven door het zoute zeewater en 10 jaar lang geen vrucht opbracht. Het was vooral de laagveengrond, waar het zoute water diep in weg zakte, waardoor de grond zo stonk, dat er veel mensen ziek van werden en stierven. Ook malariakoortsen teisterden de mensen. Doktoren uit het hele land kwamen naar Friesland om de nood te lenigen.

Een heikel punt in de 19de eeuw was de toestand van de staatskerk. De koning regelde in een verordening de toestand in de kerk. Het was zo, dat de floreenplichtigen, degenen die de grondbelasting opbrachten, de macht hadden om de predikanten te kiezen. Wie veel grond in een bepaald dorp in bezit had, had in feite de macht om die kandidaat te benoemen die hem het beste uitkwam, maar waar de mensen in de kerk niet op zaten te wachten. Deze misstand heeft veel slechts gebracht aan de kerk, die langzaam aan leegstroomde, omdat de mensen liever luisterden naar mensen die een orthodoxe leer brachten. Zij scheidden zich van de kerk af en kwamen bijeen in schuren, op afgelegen plaatsen, in woningen, enz. deze bijeenkomsten werden verboden en de organisatoren met hoge boetes bestraft. Men haalde een Napoleontische wet van stal om bijeenkomsten van meer dan 20 mensen te verbieden. De vervolging van de afgescheidenen begon in 1832 en hield pas op in 1840, toen Willem II koning der Nederlanden werd. Niet alleen door de afscheiding liepen veel kerken leeg, ook door de geschriften van Franse en Engelse auteurs werd het gezag van de bijbel aangetast. De orthodoxe bevolking hield echter vast aan het gezag van de heilige Schrift. Deze beweging werd het Reveil genoemd. De godsdienstkwestie zou het land langer dan honderd jaar verscheuren. Hele dorpsgemeenschappen werden gespleten en kwamen vaak onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Vrijzinnigheid en rechtzinnigheid bepaalden het beeld van het land. In deze tijd ontstonden later in de 19de eeuw de gereformeerde kerken en werden er christelijke scholen gesticht. Ook in Beetsterzwaag was de dorpsgemeenschap gespleten in een vrijzinnig en rechtzinnig deel. Er werden twee predikanten benoemd, een vrijzinnige, die in de hoofdweme kwam te wonen, die in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag stond. En de rechtzinnige predikant vond zijn woning in Beets, bij de zgn. adelskerk. De familie Van Teyens vond in de vrijzinnige dorpskerk van Beetsterzwaag haar thuis en zelfs Oene had daar een werkzaam deel in de kerkvoogdij, waar hij toekeek op de financiën.

In 1845 werd de aardappeloogst aangetast door de aardappelziekte. Dat kwam omdat men geen wisselbouw toepaste. Daardoor werd er weer honger geleden op het platteland. Ook in 1846 en ’47 mislukte de aardappeloogst en ook andere veldvruchten mislukten, zodat men alleen maar grote bonen moest eten. De bevolking verarmde nog meer en velen moesten uit stelen gaan om nog iets te kunnen eten. Het kwam in de steden zelfs tot hongerrelletjes. Hierdoor en door de godsdienstige verdrukking emigreerden velen naar Amerika, waar men in alle vrijheid zijn geloof kon belijden. Amerika was het land van de onbegrensde mogelijkheden, “it lân fan dream en winsken”.

In het veeteeltgebied ging het aanvankelijk goed. Door het nieuwe vee, het zwart-bonte ras, was de veepest overwonnen en werd de boterproductie, toen nog op de boerderij, een belangrijke inkomstenbron. De meeste boter ging naar Engeland waar een goede prijs voor werd betaald. Maar allengs kregen boterkooplieden het heft in handen en begon men te knoeien met minderwaardige boter uit andere streken en zelfs toen de margarine opkwam, werd er gemixt en versneden. In Engeland pruimde men de Friese boter niet meer en ging over op Deense boter, die van prima kwaliteit was en bleef. De opkomst van de zuivelfabrieken, coöperaties van boeren, heeft weer iets van de schade weten in te halen.

Landbouwers kwamen na 1877 in de knel met hun producten, toen uit Amerika graan kwam van goede kwaliteit en in grote hoeveelheden, zodat de Friese boer zijn product niet meer kwijt kon. Pas na 1900 zou het met de boerderij beter worden. Toen klauterden de bouw- en veeboeren weer bij de wal omhoog.

In de 19de eeuw veranderde het landschap tussen Heerenveen en Drachten ingrijpend door de laagveengraverij. Turfgravers uit Giethoorn kwamen in deze streek werken om het laagveen weg te graven en tot korte turf te maken. Grote delen veranderden in waterplassen, die later door maatregelen van hogerhand ingepolderd moesten worden. De slechte toestanden in het veen onder de arbeiders te Beets is maar al te zeer bekend. Stakingen werden er zo nu en dan georganiseerd om de lonen wat meer omhoog te trekken. In Beetsterzwaag trokken de “hoge heren” zich weinig aan van de armoede in deze streken. De veenarbeiders raakten door de gedwongen nering bij de veenbaas nooit van hun schulden af. Je zou bijna kunnen spreken van moderne slavernij. Ds. Verbrugghen uit Beetsterzwaag heeft getracht een beetje verlichting in de toestand te brengen. Hij bouwde een klein houten kerkje en preekte er twee maal per week, waarbij hij snert uitdeelde aan de bezoekers. Deze zgn. “snertpreken” werden door velen bezocht. Ook probeerde hij het de bevolking door middel van vlecht- en houtsnijwerk in de wintertijd wat gemakkelijker te maken om inkomsten te verwerven. Hoewel hij niet vergeten is in het dorp Beets was het toch Domela Nieuwenhuis die hun spreekbuis werd en door de bevolking als hun “verlosser” werd vereerd.

 

Bronnen:

• “Fan Fryslâns forline”, door H. Twerda.

• “Opsterlân, skiednis fan in Wâldgritenij”, door S.J. van der Molen.