đ
TIJDSBEELD
1800 – 1900
19de eeuw:
Deze eeuw begint met de Franse
bezetting, die ongeveer 20 jaar zou duren. Al heel gauw merkten de
mensen dat de Fransen niet die vrijheid hadden gebracht, die ze zich
voorstelden. De bevolking werd weer geplaagd met de hoge
oorlogslasten van Frankrijk, waarbij ze weer hoge belastingen
moesten opbrengen. De handel, waar ons land van leefde, werd
stilgelegd, met name die op Engeland, een zeer belangrijke
handelspartner. Het Continentaal Stelsel, door keizer Napoleon
ingesteld, heeft ons land grote schade toegebracht. Voorts was daar
de gedwongen loting, waarbij jonge mannen werden gedwongen dienst te
nemen in het Franse leger. Vooral de veldtocht naar Rusland heeft
duizenden landgenoten het leven gekost. Het gehele volk verarmde.
Toen ons land in 1814 een koninkrijk
werd onder de oudste zoon van de laatste stadhouder, Willem I, moest
hij een bijna failliete boedel nieuw leven inblazen. Door het
oprichten van de Nederlandse Handelsmaatschappij, het aanpakken van
de infrastructuur van het nieuwe koninkrijk, door het graven van
kanalen, waarbij streken in het zuiden, oosten en noorden werden
ontsloten, zodat zich daar ook industrie kon ontwikkelen, kwam ons
land er weer enigszins bovenop. De bevolking was echter door
ondervoeding zo achterop geraakt, dat er buitenlandse
arbeidskrachten moesten worden aangetrokken om veel werk te doen.
In 1825 werd Friesland getroffen door
een overstromingsramp, waarbij 2/3 deel van de provincie onder water
werd gezet. Op 3 februari begon het zeer hard te waaien en tezamen
met een springvloed braken in het zuidwesten de dijken en
overstroomden Lemsterland en Weststellingwerf. Ook de binnendijken
hielden het niet en daardoor stroomde het zeewater steeds verder het
Friese land binnen, zelfs tot Drachten toe. Vooral het lage midden
en het zuidwesten van de provincie hadden veel te lijden. De storm
hield tot 8 februari aan. Veel mensen en vee verdronken in de koude
golven. De Slachtedyk hield tenslotte op het nippertje, verdedigd
met man en macht, het zeewater tegen. Gevolg was, dat bouw- en
weiland werd bedorven door het zoute zeewater en 10 jaar lang geen
vrucht opbracht. Het was vooral de laagveengrond, waar het zoute
water diep in weg zakte, waardoor de grond zo stonk, dat er veel
mensen ziek van werden en stierven. Ook malariakoortsen teisterden
de mensen. Doktoren uit het hele land kwamen naar Friesland om de
nood te lenigen.
Een heikel punt in de 19de
eeuw was de toestand van de staatskerk. De koning regelde in een
verordening de toestand in de kerk. Het was zo, dat de
floreenplichtigen, degenen die de grondbelasting opbrachten, de
macht hadden om de predikanten te kiezen. Wie veel grond in een
bepaald dorp in bezit had, had in feite de macht om die kandidaat te
benoemen die hem het beste uitkwam, maar waar de mensen in de kerk
niet op zaten te wachten. Deze misstand heeft veel slechts gebracht
aan de kerk, die langzaam aan leegstroomde, omdat de mensen liever
luisterden naar mensen die een orthodoxe leer brachten. Zij
scheidden zich van de kerk af en kwamen bijeen in schuren, op
afgelegen plaatsen, in woningen, enz. deze bijeenkomsten werden
verboden en de organisatoren met hoge boetes bestraft. Men haalde
een Napoleontische wet van stal om bijeenkomsten van meer dan 20
mensen te verbieden. De vervolging van de afgescheidenen begon in
1832 en hield pas op in 1840, toen Willem II koning der Nederlanden
werd. Niet alleen door de afscheiding liepen veel kerken leeg, ook
door de geschriften van Franse en Engelse auteurs werd het gezag van
de bijbel aangetast. De orthodoxe bevolking hield echter vast aan
het gezag van de heilige Schrift. Deze beweging werd het Reveil
genoemd. De godsdienstkwestie zou het land langer dan honderd jaar
verscheuren. Hele dorpsgemeenschappen werden gespleten en kwamen
vaak onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Vrijzinnigheid en
rechtzinnigheid bepaalden het beeld van het land. In deze tijd
ontstonden later in de 19de eeuw de gereformeerde kerken
en werden er christelijke scholen gesticht. Ook in Beetsterzwaag was
de dorpsgemeenschap gespleten in een vrijzinnig en rechtzinnig deel.
Er werden twee predikanten benoemd, een vrijzinnige, die in de
hoofdweme kwam te wonen, die in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag
stond. En de rechtzinnige predikant vond zijn woning in Beets, bij
de zgn. adelskerk. De familie Van Teyens vond in de vrijzinnige
dorpskerk van Beetsterzwaag haar thuis en zelfs Oene had daar een
werkzaam deel in de kerkvoogdij, waar hij toekeek op de financiën.
In 1845 werd de aardappeloogst
aangetast door de aardappelziekte. Dat kwam omdat men geen
wisselbouw toepaste. Daardoor werd er weer honger geleden op het
platteland. Ook in 1846 en ’47 mislukte de aardappeloogst en ook
andere veldvruchten mislukten, zodat men alleen maar grote bonen
moest eten. De bevolking verarmde nog meer en velen moesten uit
stelen gaan om nog iets te kunnen eten. Het kwam in de steden zelfs
tot hongerrelletjes. Hierdoor en door de godsdienstige verdrukking
emigreerden velen naar Amerika, waar men in alle vrijheid zijn
geloof kon belijden. Amerika was het land van de onbegrensde
mogelijkheden, “it lân fan dream en winsken”.
In het veeteeltgebied ging het
aanvankelijk goed. Door het nieuwe vee, het zwart-bonte ras, was de
veepest overwonnen en werd de boterproductie, toen nog op de
boerderij, een belangrijke inkomstenbron. De meeste boter ging naar
Engeland waar een goede prijs voor werd betaald. Maar allengs kregen
boterkooplieden het heft in handen en begon men te knoeien met
minderwaardige boter uit andere streken en zelfs toen de margarine
opkwam, werd er gemixt en versneden. In Engeland pruimde men de
Friese boter niet meer en ging over op Deense boter, die van prima
kwaliteit was en bleef. De opkomst van de zuivelfabrieken,
coöperaties van boeren, heeft weer iets van de schade weten in te
halen.
Landbouwers kwamen na 1877 in de knel
met hun producten, toen uit Amerika graan kwam van goede kwaliteit
en in grote hoeveelheden, zodat de Friese boer zijn product niet
meer kwijt kon. Pas na 1900 zou het met de boerderij beter worden.
Toen klauterden de bouw- en veeboeren weer bij de wal omhoog.
In de 19de eeuw veranderde
het landschap tussen Heerenveen en Drachten ingrijpend door de
laagveengraverij. Turfgravers uit Giethoorn kwamen in deze streek
werken om het laagveen weg te graven en tot korte turf te maken.
Grote delen veranderden in waterplassen, die later door maatregelen
van hogerhand ingepolderd moesten worden. De slechte toestanden in
het veen onder de arbeiders te Beets is maar al te zeer bekend.
Stakingen werden er zo nu en dan georganiseerd om de lonen wat meer
omhoog te trekken. In Beetsterzwaag trokken de “hoge heren” zich
weinig aan van de armoede in deze streken. De veenarbeiders raakten
door de gedwongen nering bij de veenbaas nooit van hun schulden af.
Je zou bijna kunnen spreken van moderne slavernij. Ds. Verbrugghen
uit Beetsterzwaag heeft getracht een beetje verlichting in de
toestand te brengen. Hij bouwde een klein houten kerkje en preekte
er twee maal per week, waarbij hij snert uitdeelde aan de bezoekers.
Deze zgn. “snertpreken” werden door velen bezocht. Ook probeerde hij
het de bevolking door middel van vlecht- en houtsnijwerk in de
wintertijd wat gemakkelijker te maken om inkomsten te verwerven.
Hoewel hij niet vergeten is in het dorp Beets was het toch Domela
Nieuwenhuis die hun spreekbuis werd en door de bevolking als hun
“verlosser” werd vereerd.
Bronnen:
• “Fan Fryslâns forline”, door H.
Twerda.
• “Opsterlân, skiednis fan in
Wâldgritenij”, door S.J. van der Molen.