ð
De familie Van Teyens
in de 18de
en 19de eeuw
De kinderen van Saco van Teyens (de
jonge) en Etta Arnolda van Besten:
Dit echtpaar heeft 11 kinderen
gekregen. Vijf kinderen zijn jong of als baby overleden. Van de
andere zes zijn er vier ongehuwd gebleven en twee zijn getrouwd,
waarvan alleen de jongste zoon nageslacht heeft gekregen. Deze Van
Teyenstelgen leefden in een spannende en turbulente tijd.
We bekijken enkele van deze personen:
Lucia Romelia van Teyens:
geboren in 1719 te Nuis en
overleden in 1777 te Beetsterzwaag. Nuis is al eerder ter sprake
gekomen. De familie bezat daar de Coendersborg, door erfenis
verkregen uit de nalatenschap van Etta Coenders, de moeder van Hijma
Auwema, de tweede echtgenote van Oene van Teyens.
De familie is blijkbaar na de geboorte
van Lucia Romelia naar Beetsterzwaag verhuisd, want daar werd in
1721 een zoon Oeno geboren, die jong stierf.
Oeno van Teyens
(een derde kind) werd in 1722 geboren te Beetsterzwaag. Van hem is
bekend dat hij ontvanger van Opsterland was; in de Franse tijd
(1795) lid van de municipaliteit van Opsterland en representant van
het Friese volk (1795). Hij studeerde in Franeker rechten. Hij was
duidelijk een aanhanger van de nieuwe tijd, die met de franse
revolutie aanbrak en wellicht heeft hij samen met dominee Seger van
Arnhem Cloeck en Ayso van Boelens uit Olterterp om de vrijheidsboom
gedanst. Hij is ongehuwd. In de Leeuwarder Courant staat een
overlijdensadvertentie van hem namens de familie:
‘Het heeft de almagtigen God
behaagd, na een lange zukkelinge (en daarbij komende verval van
kragten) van ongeveer 10 weeken, op heden den 6den May ’s
voordemiddags om tien uur deze Weereld op te eischen, den Heer Oeno
van Teyens, in den hogen ouderdom van tachtig jaaren en een maand,
geve door dezen kennis aan Vrienden, en goede Bekenden, verzoeke van
Brieven van Rouwbeklag verschoont te blyven. Beetsterzwaag den 7den
May 1801. Tinco van Teyens. Mede uit naam van myn Broeder en
Zuster.’
Tinco van Teyens,
geboren in 1727 en overleden in 1808. hij was
secretaris van de grietenij Utingeradeel van 1768 tot 1796 en woonde
daarbij in Oldeboorn. Samen met zijn zuster Hijma en broeder
Benedictus draagt hij bij aan de bouwkosten van de nieuwe kerk te
Beetsterzwaag. Dat staat ook op de gedenksteen in de toren vermeld.
De laatste jaren van zijn leven heeft hij bij zijn zuster Hijma
doorgebracht, die in de Leeuwarder Courant zijn overlijden
aankondigt. Ze maakt daarbij melding dat zijn overlijden voor haar
een einde maakte aan een voor haar ‘zo
gezellig leven’.
Hijma
van Teyens, geboren in 1734 te
Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1816. Hijma leeft van de
opbrengst van de pachten van haar landerijen. Zij heeft ook de
Coendersborg laten verbouwen in 1813 en draagt bij aan de bouwkosten
van de nieuwe kerk te Beetsterzwaag in 1803 (zie pag. dorpskerk).

Benedictus van Teyens, geboren
in 1736 en overleden in 1804 te Beetsterzwaag. Hij is secretaris van
Opsterland en ontvanger van de Opsterlandse Veencompagnie en in de
Franse tijd (na 1795) lid van het gemeentebestuur van het district
Opsterland. Hij is lang vrijgezel geweest. Blijkbaar wetenden dat
hij de laatste Van Teyens zou zijn als hij niet trouwde en kinderen
kreeg, is hij in 1795 getrouwd met zijn huishoudster Froukjen
Alberts. Bij haar heeft hij drie kinderen gekregen. Enkele weken
voor zijn overlijden maakt Benedictus zijn testament. Hierin staat
het volgende beschreven:
‘Zolang de kinderen bij Frouckje in
huis zijn, zal zij een jaarlijks kostgeld van 250 Caroli guldens
ontvangen, terwijl overige kosten zoals kleding uit de boedel
betaald zullen worden. Frouckje zelf ontvangt twee paarden, twaalf
koeien, vier wagens, zoveel land als zij voor haar vee nodig zal
hebben en jaarlijks 800 Caroli guldens. De kinderen ontvangen bij
meerderjarigheid het gehele vermogen van Benedictus op voorwaarde
dat zij hun moeder tot aan haar door zullen blijven verzorgen.’
(Bron: “Een schat van een oma” door Anky Mulder-Tits). Benedictus
is als laatste van de familie bijgezet in de grafkelder in het koor
van de kerk te Beetsterzwaag. Froukje Alberts is met de drie
kinderen blijven wonen op Fockensstate, waar zij in 1853 overlijdt.
Zij wordt aan de noordkant van de kerk, vlak bij de grafkelder
binnen de kerk, begraven. Het graf, waar ook haar drie kinderen zijn
bijgezet wordt nog steeds onderhouden door de Van Teyens Fundatie.
Na de dood van Benedictus wordt Rinze
Melles, koopman te Beetsterzwaag, gevraagd om de administratie over
de goederen van de Van Teyens te voeren, hetgeen hij ook gedaan
heeft.
De laatste drie Van Teyens:
Etta Arnolda van Teyens,
geboren in 1796 te Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1862. Etta
Arnolda is nooit getrouwd geweest. Haar scholing heeft ze in
Leeuwarden ontvangen en daarna heeft ze haar leven lang in het Van
Teyenshuis in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag gewoond. Van haar is
bekend dat zij ontvangsten hield voor de notabelen van het dorp.
Ze
was van alle dingen in het dorp op de hoogte. In de roman “Willem
van Harpen’s leerjaren” door Albert Jan ten Brink (uitgave 1871)
worden deze ontvangsten beschreven ten huize van de familie Van
Zeuren, hetgeen iets duidelijk maakt over die bijeenkomsten. Naast
haar woonde in een huis van de familie Van Teyens hun huisarts
Joachimus Lunsingh Tonckens. Zijn echtgenote, Helena Aletta Koumans
Smeding en haar moeder Johanne Vitringa Coulon, waren vriendinnen
van Etta Arnolda, overgehouden aan haar studietijd in Leeuwarden.
Het echtpaar Tonckens was huisvriend van de Van Teyens. Geen wonder
ook dat zij tot universeel erfgenaam werden benoemd, omdat er geen
verder nageslacht van de Van Teyens over was. Op enkele legaten na
aan personeel en liefdadige instellingen, kwam nagenoeg het gehele
vermogen, landerijen, huizen, boerderijen en bos in handen van de
dokter.
Of de goede
verhoudingen met de dokter tot het einde toe bewaard zijn gebleven,
is niet zeker, want toen Etta op haar sterfbed een bord rijst te
eten kreeg zou ze de dokter hebben toegeroepen: “Moordenaar!” Of de
rijst inderdaad vergiftigd is geweest is niet bekend. Wel dat ze na
het eten ervan is overleden.
Het
enige nogal vage portret van Etta Arnolda van Teyens.
(Foto
uit bezit van E. Huisman)
Saco van Teyens,
geboren in 1797 te Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1857. Saco
is nooit getrouwd. Hij studeert in Leeuwarden en Groningen aan de
universiteit, waar hij in 1823 promoveert. Zijn proefschrift wordt
bewaard in Tresoar te Leeuwarden. Na zijn studie keert hij naar
Beetsterzwaag terug waar hij inwoont bij zijn zuster in het van
Teyenshuis. Saco is in 1835 benoemd tot grietman van Opsterland en
treedt dus in de voetsporen van zijn eerste voorvader Sierck Arents,
die dat was in Smallingerland in het begin van de 16de
eeuw.
Hij is dat tot 1851 gebleven. De
nieuwe gemeentewet maakte een eind aan het grietmanschap en de
grietman werd burgemeester. Dit ambt heeft Saco tot zijn dood in
1857 bekleed. Na de dood van zijn moeder in 1853 is hij naar
Fockensstate verhuisd waar hij in 1857 een eind aan zijn leven
maakte. Tragisch! Hij heeft geen testament gemaakt, zodat zijn
vermogen naar Etta Arnolda en Oeno is gegaan.
Oeno van Teyens,
geboren in 1798 te Beetsterzwaag en overleden in 1866 aldaar.
Hij is evenals zijn broer Saco
en zuster Etta Arnolda ongehuwd gebleven, waardoor het geslacht Van
Teyens met zijn heengaan uitsterft. Oeno is landeigenaar en drijft
met zijn moeder aanvankelijk de boerderij op Fockensstate. In het
dorp staat hij bekend als ‘gekke Oene’. Er zijn verschillende
zienswijzen op deze laatste Van Teyens. Dat dit bekend is geworden
is te danken aan het laatste testament van Oene, dat door notaris
Andreae te Beetsterzwaag is opgemaakt. Dit testament, het 2de,
werd op 12 maart 1859 opgemaakt, evenals het testament van zijn
zuster Etta en dat in grote lijnen met dat van Oene overeenkomt. Een
groot bedrag en enkele huizen zijn bestemd voor de in 1858
opgerichte Van Teyens Fundatie. Ook een ver familielid, Marcus van
Heloma (zie VI.a) krijgt een deel van de erfenis, o.a. Fockensstate.
In het testament staat: “Ik benoem tot mijn
eenige en universeele erfgenamen den heer Joachimus Lunsingh
Tonckens en zijn echtgenoote vrouw Helena Aletta Koumans Smedingh.”
Als de dochter van de dokter en de
zoon van notaris Andreae met elkaar trouwen is het vermogen van de
Van Teyens in handen gekomen van twee invloedrijke families te
Beetsterzwaag.
Anky Mulder-Tits vertelt in haar
boekje dat dokter Tonckens de legaten, die aan familieleden van
Froukjen Alberts worden nagelaten, door herauten te paard worden
overhandigd. Toch is de familie van Froukjen Alberts niet tevreden
met deze fooi. Volgens hen kleven er onrechtmatigheden aan het
testament en zij vechten dit aan bij de rechter. Uit de
getuigenverklaringen blijkt dat Oeno eigenlijk onbekwaam was om een
testament te maken, dat hij krankzinnig zou zijn. De keukenmeid van
de familie Tonckens, Theodora Muhlschlegel, verklaart dat Oeno niet
een “dierbare huisvriend” was, zoals de dokter verklaard had. Oeno
mocht zelfs niet binnen komen in de woonkamer. Alleen in de keuken
mocht hij komen, waar Theodora zich over hem ontfermde. Anky Mulder
schrijft het volgende: “de man was vaak angstig en hield zich
gewapend met een stok onzichtbare honden van het lijf. Oeno was
vervuild en droeg ’s zomers veel kleren over elkaar. Theodora had
hem ooit in het kippenhok als razende tekeer zien gaan.”
Theodora getuigde van het gedrag van dokter Tonckens in de late
avond van 2 februari 1862, enkele uren voor Etta’s overlijden. Ze
had gezien dat de dokter zware kisten uit het huis van de Van Teyens
via een plank over de sloot naar het huis van de dokter droeg.
Mevrouw Tonckens merkte dat de meid meer gezien had dan wenselijk
was en ontsloeg haar. Een andere getuige, Rinse Bos, had gezien dat
toen de kisten geopend werden, er allemaal gouden en zilveren
voorwerpen inzaten, die toebehoorden aan de familie Van Teyens.
Hemminga, de tuinman van de Van
Teyens verklaarde dat dokter Tonckens Oeno vlak voor zijn dood een
“pikbal” gaf waar hij zo dol op was. En Take Wiersma vertelde de
rechter dat zij, hoewel dat ongebruikelijk was, ’s avonds een bord
gortpap voor Oene klaar moest maken, waarna hij, na het gegeten te
hebben, even later stierf.
Over zijn gedrag: als Oene ging
wandelen, ging er altijd een begeleider met hem mee. Dat was Jan
Reinder de Haan. Deze hield hem stevig bij de arm vast. Als het
buiten regende zat hij met een zuidwester op in de woonkamer. En
soms imiteerde hij een kip of een haan.
Er waren echter ook verklaringen à
décharge: de pachters en ook de Baron van Harinxma verklaarden dat
Oene de financiën van de familie goed op orde had, en dat van
krankzinnigheid in het geheel geen sprake was. Dat hij een
eigenaardig man was, dat is wel zeker, maar nog geen reden om hem
ontoerekeningsvatbaar te verklaren bij het opmaken van zijn
testament.
Over de erfenis is jaren achter elkaar
geprocedeerd door de familie van Froukjen Alberts. In 1892, 1912,
1915-1917, 1941 en 1965. De rechter heeft echter steeds de eisen
afgewezen. Oeno van Teyens,is als laatste van zijn geslacht bijgezet
in het graf naast zijn moeder, broeder en
zuster op het kerkhof te Beetsterzwaag.

Het hoge huis,
waar de auto voor staat, is in 1868 gebouwd door dokter Tonckens van
de erfenis van de Van Teyens. Het huis staat momenteel bekend als ‘Bordena’.
Het staat vast aan het grijze huis links op de foto dat het oude Van
Teyenshuis is. In 1980 is dit oude huis afgebroken om plaats te
maken voor een nieuw en hoger huis dat aansluit op het huis Bordena.
Omdat er in de volksmond sprake was van een ‘schat van de Van
Teyens’ werd bij de afbraak uitgekeken naar deze schat.
En …… er kwam wel
degelijk wat tussen de muren en plafonds vandaan: Turf!
Gebruikt als een
vroege vorm van isolatie.
En turf was de
basis van het Van Teyensvermogen.
foto J.C.
Terluin