Dit wapen is een typisch Fries
eigenerfdenwapen. Eigenerfden zijn boeren met een eigen berechtigd
erfgoed, een boerderij met minimaal 30 pondematen land. Zij hadden
stemrecht. In de middeleeuwen waren zij gerechtigd tot de diverse
ambten in de grietenij. Ze konden worden gekozen tot grietman, de
bestuurder èn rechter in de grietenij. Ook andere ambten stonden
voor hen open zoals dat van secretaris, bijzitter (=mederechter) en
afgevaardigde van de grietenij naar de vergaderingen van de Go (b.v.
Westergo, Oostergo en Zevenwouden) en later naar de provinciale
landdag in Leeuwarden. Door erfenissen en het opkopen van
stemgerechtigde plaatsen konden ze veel stemmen vergaren, waardoor
ze een grote machtspositie in de grietenij konden verwerven.
Hun rechten en ook wel hun plichten
werden vaak afgebeeld in hun wapen. Ze wilden hiermee hun positie
duidelijk maken.
We onderscheiden:
• Het recht op het rechtersambt:
de rechters vormden in de
middeleeuwen de overheid! Het
grietmansambt werd aanvankelijk
jaarlijks bij toerbeurt
vervuld door de
rechthebbenden, dus de eigenerfden.
Tegenover het recht op
het rechtersambt stond de
dingplicht. Dat
betekent dat zij, wanneer zij aan de beurt
waren om het
grietmansambt te vervullen, zij ook verplicht
waren dit te doen. Als symbool van dit recht en
deze plicht
plaatsten veel eigenerfde boeren de Friese
halve adelaar in
hun wapen. Dit wapendier is in feite de helft
van de
keizerlijke dubbelkoppige adelaar. Ons land
maakte tot 1648
(de Vrede van Münster; einde van de 80-jarige
oorlog) deel
uit van het Duitse keizerrijk. Er werd dus
recht gesproken in
naam van de keizer. En als teken daarvan
plaatste men de
helft van ’s keizers adelaar in hun eigen
wapen. In Friesland
is dit wapendier zo populair geworden, dat men
in de
wapenkunde spreekt van de
“Friese halve adelaar”.
•
Het stemrecht:
als eigenerfde had men
het recht om bepaalde personen in
zekere ambten te kiezen.
Het recht om de grietman te
kiezen is hierboven al
aangehaald. Voorts had men het recht
om de pastoor, later de
predikant en de schoolmeester en
de dorpsrechter te
kiezen. De plicht die hier tegenover stond
was de zgn.
schotplicht. Dat betekent dat men belasting
diende te betalen aan de
koning.
•
Het almenderecht:
De almende is het gebied
dat om de nederzetting of het dorp
heen lag en algemeen
bezit was van de eigenerfde boeren
en edelingen (adel). Dit
waren de heidevelden,
weidegronden, bossen en
veengronden en de wateren. Deze
waren niet verdeeld onder
de boeren. Het is juist dit
almenderecht, dat in de
wapens tot uitdrukking werd
gebracht. Het recht op
het gebruik van de gezamenlijke
bossen werd tot
uitdrukking gebracht door de eikel. De eikel
vertegenwoordigde de
belangrijkste boom op de
zandgronden. De eik
leverde goed timmerhout; de schors
voorzag in looistof om de
huiden te looien; de eikel was een
prima varkensvoer. De
eigenerfde boeren stuurden hun
varkens onder leiding van
een herder de eikenbossen in om
hun kostje in de herfst
op te scharrelen. De eikel wijst dus
op de almende.

In het wapen Fockens zien we weer de
drie gouden eikels op zwart terugkeren. Hieraan kunnen we zien dat
deze twee families nauw aan elkaar verwant zijn. De stamvader van
beide geslachten is Teye Aebeles, eigenerfde te Duurswoude. De
familie Van Teyens heeft zijn naam te danken aan deze persoon.
Teyens is een zgn. patroniem, een “vadersnaam”; het betekent “zoon
van Teye”, of “Teyeszoon”, vergelijkbaar met namen als Willems of
Jansens. Teye Aebeles’ zoon, Focke Teyes, gehuwd met Auck Boelens,
had twee kinderen: Hepco Fockens en Frouck Focke Teyesdr. Deze
laatste huwde Saco Siercks, de stamvader van de Van Teyens, terwijl
Hepco Fockens, grietman van Opsterland, de stamvader van de Fockens
is.
Het is dus niet verwonderlijk dat
beide familiewapens op elkaar lijken. Het verschil zit hem in de
Friese halve adelaar. De familie Fockens voert op de plaats, de
heraldisch rechterhelft van het schild, een halve lelie, uitkomend
uit de delingslijn. Dit gedeelte is rood op goud. Het helmteken van
de familie Fockens is een hele rode lelie. Deze lelie is een
verwijzing naar Maria, de moeder van Jezus, die in de middeleeuwen
in Friesland zeer werd vereerd. Naast hun rechten plaatsten adel en
eigenerfden vaak een symbool van een heilige in hun wapen, om de
bijstand van deze heilige af te smeken in hun leven.
Alle
eigenerfdenfamilies in Beetsterzwaag en Olterterp waren door
huwelijksbanden aan elkaar verbonden. Dat waren de families Hemminga,
Boelens en Lauswolt. In de wapens van de eerste drie families zien
we naast de Friese halve adelaar de eikels terugkeren als symbool
van het almenderecht. Maar er staan ook andere tekens in: in het
wapen Lauswolt zien we twee zespuntige sterren, die verwijzen naar
de “stella maris” de “sterre der zee”, weer een Maria of
Christussymbool. De ster wijst je de weg in het leven. Dit is dus
weer een religieus teken.
In de wapens
Boelens en Hemminga zien we verwijzingen naar de akker:
een
korenaar in het wapen Hemminga en een
vlasbloem
in het wapen Boelens. Deze families wilden dus hun recht op de
landbouwgronden bij hun hoeve vastleggen in hun wapen.
Deze symbolen
verwijzen dus naar de stemgerechtigde plaats die ze bezaten.

De kleuren van de
wapens Hemminga en Lauswolt kennen we niet. Omdat in Friese wapens
de ster meestal goud op blauw is, vermoeden we dat het wapen
Lauswolt blauw is met een gouden eikel tussen twee gouden sterren.