Tijdsbeelden

Tijdsbeeld 1500-1600

De 16de eeuw is een tijd van grote veranderingen geweest voor Friesland. De 15de eeuw was voorbij gegaan met vreselijke twisten tussen de Schieringers en de Vetkopers. De Friese vrijheid was verloren gegaan doordat beide partijen buitenlandse heersers in hun strijd betrokken. Zo was het uiteindelijk hertog Albrecht van Saksen die het landsheerlijk gezag over de Friese landen in handen kreeg. Hij heeft getracht zijn gezag hier te vestigen, maar kreeg met hardnekkige tegenstand te maken. In 1515 heeft hij het opgegeven.
 
Toch is zijn aanwezigheid hier niet zonder gevolgen geweest. Er moest hier een centraal gezag worden gevestigd. Albrecht stelde daarom een hertogelijke raad in, die het bestuur en de rechtspraak voor hem moest uitoefenen. Deze raad werd later het Hof van Friesland. De Saksers behartigden de algemene bestuurszaken, de rechtspraak werd door Friezen uitgeoefend. Een stadhouder stond aan het hoofd van deze raad.
 
Als de stadhouder of de raad de inwoners wilden raadplegen dan werd een landdag of statenvergadering bijeen geroepen. De abten van de kloosters, de adel en de eigenerfden kwamen dan bijeen, waarbij ook de grietmannen en de stadsbesturen aanwezig waren.  De landdag behandelde hoofdzakelijk de zgn. beden, de vraag om belasting te mogen heffen, want de hertog had vaak behoefte aan geld om zijn bestuur (ambtenaren) te kunnen betalen. Voorts werden ook zaken als defensie, zowel tegen vijanden als tegen de zee besproken. Men was hier niet gewend belasting te betalen en men kwam dan ook in 1500 in opstand. Er werd een jaartax ingesteld, belasting op grondbezit en inkomsten uit handel en nijverheid. En er werden accijnzen geheven. In 1511 ontstonden de Registers van Aanbreng waarbij alle onroerende goederen werden geïnventariseerd. Dit om belasting te kunnen heffen. Er kwam eenheid in maten en gewichten en Friesland kreeg een eigen munt. Militaire steunpunten werden aangelegd in de blokhuizen te Harlingen, Leeuwarden en Stavoren, van groot belang zowel tegen buitenlandse vijanden als bij interne opstanden.
 
Karel V kocht Friesland terug van Albrecht van Saksen en wist in 1524 zijn gezag in Friesland te vestigen. Hij bouwde voort op de instellingen, die Albrecht van Saksen had ingesteld. De hertogelijke raad werd nu Hof van Friesland genoemd. In een overeenkomst met de Staten werden een aantal zaken geregeld (het Tractaat van 1524). De benoeming van raadsheren aan het Hof en de grietmannen bleef aan de landsheer. Niemand mocht twee ambten tegelijk bekleden om ambtsmisbruik te voorkomen en belasting mocht alleen geheven worden met toestemming van de Staten. De Staten werden bijeen geroepen door de stadhouder en mochten niet op eigen houtje bijeen komen. De stadhouder als gevolmachtigde van de landsheer was verantwoordelijk voor de defensie, handhaving van de openbare orde en de bevordering van de welvaart.


 
Illustratie hiernaast: Het Landschapshuis en de Kanselarij, het regeringscentrum van Friesland te Leeuwarden, aquarel door S. Bonga, 1843.


De Friezen hebben veel moeite gehad met de
hun opgelegde maatregelen, temeer daar de
hoogste ambten werden bekleed door niet-
Friezen. De verhoudingen tussen de Staten en
de stadhouder verliepen stroef. Beden
(aanvragen voor belastingheffing) werden
getraineerd of zelfs een keer geweigerd.
 

 


Van der Woude schrijft op pag. 13 van.
“Luyden van Eren”:
“Van de Landdagvergadering van 10 oktober 1537 is informatie bewaard gebleven omdat de Staten Karel V weigerden om een bijdrage te leveren in de kosten van de onderwerping van Groningen en Drenthe. Men bereikte na lang onderhandelen overeenstemming, behalve op één punt: het recht om geestelijken voor een benoeming voor te dragen. Dat is het zgn. “patronaatsrecht”, dat in handen van de keizer zou moeten blijven.
De Staten waren verdeeld en de discussies waren heftig. Op 15 oktober kwam het afwijzende antwoord van de Staten. De regering in Brussel liet onmiddellijk een onderzoek instellen naar de gebeurtenissen. Eén van de Friezen, die het verzoek van de keizer wilden toestaan, zonder aan het patronaatsrecht vast te houden, was Sierck Arents, de grietman van Smallingerland. Hij was dus duidelijk een aanhanger van de keizer.”

Literatuur:

  1. “Luyden van Eren”, voorouders en nageslacht van Saco van Teyens (1601 – 1650); artikel in het Genealogysk Jierboek 2006, door drs. N. L. van der Woude.
  2. “Fryslân, 1498 – 1998, vijf eeuwen provinciaal bestuur, door Arie-Pieter van Nienes, Barteld de Vries en Siem van der Woude.
  3. “Opsterlân, skiednis fan in Wâldgritenij”, door S.J. van der Molen.

Tijdsbeeld 1600 - 1700

De eerste helft van de 17de eeuw stond in het teken van de 80-jarige oorlog tegen Spanje. In Friesland werd Willem Lodewijk graaf van Nassau benoemd tot stadhouder. Hij was in dienst van de Staten van Friesland. Hij heeft er voor gezorgd dat Friesland goed werd verdedigd door het opwerpen van schansen op de grens met het Spaanse gebied. Allengs werd de druk vanuit Groningen, waar de Spaanse veldheer Verdugo zat, minder en kreeg de Friese bevolking weer een veilig gevoel. In 1594 werd de stad Groningen als laatste bolwerk van de Spanjaarden veroverd en verdween Verdugo uit het noorden van ons land. De kooplieden van de Republiek wilden een bestand in de oorlog omdat hun handel schade van de oorlog ondervond, met name de zeehandel. De stadhouder prins Maurits en Willem Lodewijk wilden daar echter niets van weten. Toch zette de raadpensionaris Van Oldenbarneveld door en er kwam een 12-jarig bestand. In die tijd van rust kwamen er twisten in de jonge calvinistische kerk tussen de rekkelijken en de preciezen, de Remonstranten en de Contra-remonstranten. De synode van Dordrecht (1618-1619) beslechtte het pleit in het voordeel van de preciezen. In 1620 kwam er een einde aan het leven van Willem Lodewijk en hij werd in de Jacobijnerkerk te Leeuwarden begraven, betreurd door het hele Friese volk die in hem “ús heit” zagen. Hij werd opgevolgd als stadhouder van Friesland door zijn broer Ernst Casimir, die zijn militaire capaciteiten meest tentoon spreidde in het zuiden van Nederland, waar de oorlog zich verder afspeelde. Hij kreeg in 1626 te maken met hevige tegenstand van de steden in de Friese Staten over het betalen van belastingen voor de oorlog. De steden wensten niets meer te betalen. Ernst Casimir is er in geslaagd om de steden zonder militaire middelen er toe te bewegen hun financiële aandeel in de oorlogslasten te betalen. De steden bedongen echter wel dat er heel wat moest veranderen in de macht van de aanzienlijke families en het toezicht op de financiën. Ze hadden een brief met 35 punten opgesteld, waar verandering in moest komen. Er werd besloten om de ergste misstanden weg te nemen. Maar de macht van de grietmannen en hun families was zo groot, dat ondanks het op schrift zetten van de veranderingen, al gauw bleek dat er niets veranderd was. In 1632 werd Zuidoost-Nederland bevrijd van de Spaanse overheersers, maar Ernst Casimir sneuvelde voor Roermond. Hendrik Casimir volgde hem op als stadhouder van Friesland. Hij is maar acht jaar stadhouder geweest, maar deze tijd was voor Friesland zeer voorspoedig.
 
De boeren deden goede zaken, de steden waren zeer bedrijvig en in de havensteden werd het ene na het andere schip volgeladen met boter, kaas en paarden om die in verre oorden af te leveren. Overal in Friesland werden prachtige states gebouwd met singels en grachten er omheen. Zelfs de gewone man was beter in de kleren dan ooit tevoren. Bijzondere klederdracht deed zijn intrede. Er mankeerde echter één ding aan al dat moois: dat hoe langer hoe meer slechts enkele grietmannen en hun familie bijna alles te zeggen hadden in Friesland. En dat ondanks de afspraken in 1626. Zelfs de stadhouder stond daar machteloos tegenover. Die grietmannen waren als het ware koninkjes in het klein en als er ergens een ambt vacant kwam, groot of klein, dan had men een rooster, een lijst, waar precies op stond wie van hun aan de beurt was dit ambt te vervullen en werd het aan de hoogste bieder verkocht. Dat gaf hun een grote macht en heel wat geld in het laatje. Het was geen wonder dat dit kwaad bloed zette bij de bevolking. Maar wat daar tegen te doen? De grietmannen hadden alles goed onder de duim. Zodanig dat menig eigenerfde boer op de Landdag, de bijeenkomst van de Staten van Friesland, niet anders durfde te stemmen dan ze hem opdroegen.
 
Bloeiden handel en nijverheid? Dan ook de kunst: in Leeuwarden woonde Wybrand de Geest die prachtige schilderijen maakt, vooral portretten. Niet alleen de stadhouderlijke familie,maar ook de bewoners van de adellijke states togen naar het atelier van Wybrand de Geest om zich te laten portretteren.
 
In 1648 kwam er een einde aan de oorlog met Spanje met het sluiten van de vrede van Munster. Het volk was opgetogen en optimistisch over de toekomst zonder oorlog. Doch in 1672 was het weer mis. Onze Republiek werd toen aangevallen  door vier landen tegelijk. Men zei toen in die tijd: “de regering radeloos, het land reddeloos en het volk redeloos”. Die vier landen waren Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. De defensie was verwaarloosd, want een leger kost alleen maar geld. Dat kwam de republiek duur te staan. Men riep in Holland om een stadhouder om het land te redden. Willem III prins van Oranje werd toen als stadhouder van de meeste gewesten aangesteld. Zo niet in Friesland, want hier had men al een stadhouder, Hendrik Casimir II. De troepen van de bisschop van Munster, Bernard van Galen, stroopten het oosten van de provincie af. Ze kwamen in Smallingerland en Opsterland. Benedictus van Teyens en Lucia Fockens vluchtten met hun kinderen naar het veiliger Lions.
 
De Friese waterlinie werd onder water gezet en de schansen in het zuidoosten van het gewest werden bemand door Friese troepen onder leiding van generaal Hans Willem baron van Aylva. De aanval op het noorden zou ondersteund worden door Franse troepen en men zou eerst Friesland bezetten en daarna pas op Groningen afgaan. Al het soldatenvolk achter het front dat maar gemist kon worden, werd naar Heerenveen en Gorredijk gestuurd en naar de stellingen langs de Linde en de Tjonger. Het is een storm uit het noordwesten geweest, die het zeewater bij Slijkenburg ver het land injoeg, dat de opmars van de Munsterse troepen stopte. Ze keerden niet weer terug. In 1674 was de oorlog voorbij.
 
In 1688 raakte de Republiek weer in oorlog met de Franse koning Lodewijk XIV, de zonnekoning.  En in 1702 nog eens, de Spaanse Successieoorlog. Het volk kreeg weinig rust en altijd weer die zware belastingen om de oorlogen te kunnen bekostigen. Die belastingen drukten zwaar op de gewone man. En nog steeds waren het de grietmannen op het platteland die de dienst uitmaakten en de ambten verkochten.
 
Bron: Fan Fryslâns forline, door H. Twerda.
 

Tijdsbeeld 1700 - 1800

De 18de eeuw is een vreselijke tijd voor de gewone mensen geweest. Oorlogen, natuurrampen en machtsmisbruik door de regenten bepaalden het beeld van deze eeuw.
 
Onze republiek was betrokken bij de Spaanse en Oostenrijkse Successieoorlogen in de eerste helft van de 18de eeuw. Onze stadhouders, die de aanvoerders van het leger waren, waren steeds in het zuiden van het land, de Zuidelijke Nederlanden (nu België) waar deze oorlogen werden uitgevochten, vooral tegen Frankrijk. De jonge stadhouder Johan Willem Friso, gehuwd met Maria Louise van Hessen Kassel (in Friesland liefkozend “Marijke-Meu” genaamd), was op een gegeven moment onderweg vanuit het zuiden naar Den Haag om de erfenis te regelen van koning-stadhouder Willem III, die in 1702 was overleden. Johan Willem Friso was de erfgenaam van de titel Prins van Oranje. Bij Moerdijk voltrok zich een ongeval met de koets op de pont. De koets met de inzittenden raakte te water en de inzittenden verdronken in het water van het Hollandsdiep. Een slag voor Friesland. De prinses bleef achter met een jonge dochter, maar beviel enkele weken later van een zoontje, die Willem Karel Hendrik Friso werd genoemd en die later de stadhouder van de hele republiek zou worden onder de naam van Willem IV. Zolang het kind klein was, was zijn moeder regentes (of zoals dat toen genoemd werd: gouvernante).
 
De oorlogslasten drukten zwaar op het volk. Hoge belastingen op zowat elk onderdeel van het leven maakten het leven moeilijk, met name omdat de verdiensten laag waren.
 
Een ander punt dat het leven van de boeren in ons gewest moeilijk maakte was, dat Engeland zijn grenzen voor Ierse boter sloot, zodat dit land zijn zuivel sleet tegen zeer lage prijzen op het vasteland van Europa. Juist hier had de Friese boter een goede naam, maar tegen deze concurrentie waren ze niet opgewassen, zodat men hier met de boter bleef zitten. Boeren gingen over op akkerbouw, maar ook daar volgde een ramp: muizen! In het jaar 1716 was er een ware muizenplaag, die van de hele oogst geen spaan over liet.
 
Het jaar daarop vernielde een zware storm de dijken op verscheidene plaatsen en zette het land onder water. Vele mensen en ook vee verdronken. Het zoute water bedierf de landbouwgrond voor jaren, waardoor de boeren in de knel kwamen en velen failliet gingen.
 
De volgende ramp betrof het vee. In 1714 en ’15 teisterde de veepest het Europese vee, waardoor duizenden koeien stierven. Alleen al in de winter van 1714 op ’15 stierven in Friesland in januari en februari 16000 stuks vee. Net zoals in onze tijd bij de uitbraak van  mond- en klauwzeer maatregelen werden getroffen om het verspreiden van de ziekte tegen te gaan, werden ook toen weekmarkten gesloten, waardoor de handel zeer werd getroffen. De veepest heeft tot 1769 op diverse momenten grote aantallen slachtoffers geëist.
 
Een andere ramp betrof de paalworm, die de paalschermen langs de dijken aanvrat, waardoor hele dijkvakken wegspoelden, zodat weer overstromingen dreigden. De Friese Staten hebben toen, na 1732 besloten om de zeewering te versterken met bazaltblokken, die uit Noorwegen werden aangevoerd.
 
Dan was er nog het klimaat: we hebben nu te maken met een opwarming van de aarde door broeikasgassen, zodat de winters hier zeer zacht zijn te noemen, in de tijd tussen 1740 en ‘60 was hier een tegengestelde richting aan de gang: het werd hier juist kouder. Men noemt deze tijd ook wel “de kleine ijstijd”. In 1740 stegen de roggeprijzen in heel Europa van 50 – 100%, wat een hongersnood tot gevolg had. De oorzaak van deze hongersnood was de koude en vooral lange winter van 1739 – ’40. Juist ná de nieuwe zaaisels viel de winter in oktober 1739 in en duurde  tot 10 maart 1740. Tuinen, velden en bossen werden zwaar beschadigd. Arme kinderen werden bevroren aangetroffen in hun wiegje; volwassenen lagen dood op straat. In juni hadden de bomen nog geen bladeren. Netels werden aan tafel als groenten gegeten. Toen begon het te regenen, hetgeen nadelig was voor de kwaliteit van de komende oogst. Tot overmaat van ramp trad er in augustus, september en oktober al nachtvorst op, terwijl het overdag bleef regenen. De volgende winter was eveneens koud en langdurig. Er zijn meer van dergelijke crisistijden geweest, waarin de graanprijs sterk omhoog ging.
 
In de 18de eeuw : 1709, 1713-1715, 1723-1725, 1740-1741, 1757-1758, 1769-1772, 1788-1790, 1791-1795.
 
En in de 19de eeuw: 1801-1803, 1805, 1812 en 1816-1817.
 
In deze tijden van crisis kwam een hoge graanprijs des te meer aan, omdat de lonen niet aan een prijsindex waren gekoppeld. De lonen bleven gelijk of gingen omlaag in tijden van schaarste en men kan zich dus gemakkelijk voorstellen, dat in de meeste arbeidersgezinnen dan honger geleden werd of de buikriem strakker aangehaald moest worden. 
 
Dan de politieke situatie:
 
In 1740 raakte onze Republiek betrokken bij de Oostenrijkse Successieoorlog, die tot 1748 duurde. In deze tijd lagen vele bedrijven stil. De werkeloosheid drukte des te zwaarder doordat het leven schreeuwend duur werd. De accijnzen werden door de oorlogsinspanning aanzienlijk verhoogd. Tegelijk maakte de heersende runderpest vlees en zuivel schaars. Hongerrelletjes waren aan de orde van de dag, vooral in de Hollandse steden. Vandaar de revolutie tegen de regenten in de jaren 1747 en ’48. in hun verzet tegen de regenten riepen de burgers buiten Friesland om een stadhouder. In 1747 werd dat Willem Friso, Prins van Oranje en al stadhouder van Friesland. Hij verlegde zijn residentie van Leeuwarden naar Den Haag. De burgers meenden van hem steun te ontvangen bij het afschaffen van de vele misstanden. In Friesland begon de bevolking zich te roeren: controlekettingen van de molens werden stuk geslagen, de huisjes der commiezen (belastinginners) werden omvergehaald. De boeren eisten zitting in de Staten. Direct echter tekende zich een verstandige doelbewustheid af. In alle dorpen en steden werden gecommitteerden gekozen. Deze kwamen bijeen in de Grote Kerk te Leeuwarden. Uit alle wensen werd een beknopt programma gedestilleerd:

  1. Meer macht aan de stadhouder;
  2. Afschaffing van de belastingpacht; één der ernstigste grieven;
  3. Er moet een eind gemaakt worden aan het geknoei met de ambten.

Door de slappe houding van de stadhouder ten aanzien van de oplossing der moeilijkheden, de accijnzen bleven zwaar op de bevolking drukken en aan het geknoei met de ambten was geen eind gekomen, verscherpten zich de tegenstellingen tussen de groeperingen in het land. Tussen 1750 en 1795 kwamen de twee partijen, de Prinsgezinden en de anti-Oranjegezinde Patriotten fel tegenover elkaar te staan. De Patriotten, voor een deel bestaande uit Democraten en een ander deel uit anti-Oranje gezinde regenten, vormden als het ware een “monsterverbond”. De Democraten wilden invloed van het volk op het bestuur, waar de regenten echter niets van wilden weten en zich later bij de Prinsgezinden aansloten.
 
De Patriottische beweging in Friesland was hoofdzakelijk een beweging van intellectuelen en gegoede burgers die de werken van Engelse en vooral Franse schrijvers, o.a. Rousseau, lazen en minder een beweging van het gewone volk, dat in feite traditioneel Oranje gezind was.
 
In de steden, waar de Patriotten zeer talrijk waren, werden Patriottische vrijkorpsen of exercitiegenootschappen opgericht met het doel, om tegenover de meestal door Oranje-gezinde en gereformeerde officieren aangevoerde schutterijen, nieuwe militaire korpsen te vormen. In Friesland was vooral Westergo, met als centrum Franeker, een Patriottisch bolwerk. Immers hier stond de Friese universiteit en vele professoren en studenten waren lid van een vrijkorps of burgersociëteit.
 
In 1787 verboden de Staten de professoren en studenten hieraan mee te doen, waarop de Hogeschool dreigde leeg te lopen. De Staten verboden eveneens de invoer van wapens. In dat zelfde jaar werd prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis aangehouden door de Patriotten. De Staten van Friesland meenden dat Holland alleen de gevolgen van deze aanhouding moest dragen. Een minderheid in de Staten was het hier niet mee eens en ging in Amsterdam vergaderen. De Staten stelden hiernaar een gerechtelijk onderzoek in, waarop de Patriotten o.l.v. Van Beyma zich in Franeker vestigden en met wapens en manschappen een staatsgreep voorbereidden. De Staten hieven de vrijkorpsen op en en hierop verklaarden de twaalf volmachten te Franeker  zich tot de enige en ware Staten en verklaarden die te Leeuwarden van hun ambt vervallen. Deze tegenregering kon o.a. steunen op de vrijkorpsen van Franekeradeel, Barradeel, Het Bildt, Ferwerd, Stiens, Grou, Heerenveen, Arum en de bezettingen van Bolsward en Makkum. De Patriotten bezetten voorts Workum, Stavoren, Sneek en Lemmer en haalden zoveel mogelijk belastinggeld op. Ze kregen hulp uit Holland. De Staten kregen troepen van de prins, die bij Stiens de batterij van de Patriotten overmeesterde.
 
Toen in 1787 de Pruisen de stadhouder te hulp kwamen, vluchtten de Patriotten uit Franeker door de Zuidwesthoek naar Amsterdam. Na het herstel der orde volgden vele banvonnissen en boetes en Franeker moest zijn poortdeuren missen. De kopstukken van de Patriotten weken uit naar Frankrijk, waar zij geschoold werden in het “revolutie maken”.
 
Het staatsbestuur in de Republiek raakte steeds meer vast en de schuldenlast nam op onrustbarende wijze toe. De 4de Engelse oorlog van 1780 – ’84 droeg hiertoe eveneens bij, waarbij tevens enorme handelsschade werd geleden.
 
In 1789 brak de Franse revolutie uit. De Franse revolutionairen verklaarden de “tirannen” George III van Engeland  en Willem V van de Republiek de oorlog. Met de Franse troepen trok een legioen Patriotten onder de naam van “Bataafs Legioen” tegen de Republiek op. In januari 1795 trokken de Fransen over de bevroren rivieren ons land binnen. Willem V vluchtte met zijn gezin naar Engeland en hier werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. De Fransen werden overal met vreugde begroet en men danste om de vrijheidsboom. Ayso Boelens uit Olterterp, Oeno van Teyens en ds. Van Arnhem Cloeck danste hier in Beetsterzwaag om de vrijheidsboom.
 
Een tijdperk was afgesloten, het tijdperk van de overheersing der regentenfamilies. In Opsterland werd grietman Reinhard van Lynden afgezet.
 
Bronnen:

  • “De hongersnood van 1740”, door G.M.A. Jongbloet-van Houtte. Spiegel Hist. 1966-1.
  • “Graanprijzen in de Zuidelijke Nederlanden”, door L. van Buyten. Spiegel Hist. 1967 – 2.
  • “Prinsen, Patriciërs en Patriotten”, door J. de Rek.
  • “Vaderlandse geschiedenis”, door J.W. Pik.
  • “Encyclopedie van Friesland”.
  • “Fan Fryslâns forline”, door H. Twerda.

17e eeuw

Saco Teyens, of ook wel Saco van Teyens, wordt in 1601 geboren te Beetsterzwaag. Hij volgt in 1621 zijn vader op als secretaris van Opsterland na een degelijke opleiding. Hij is een ondernemend man, want samen met de grietman van Opsterland, Saco Fockens, naamgenoot en verwant, richt hij de Opsterlandse Veencompagnie op. Ze besluiten om een vaart te laten graven door Lippenhuizen en verder oost- en zuidwaarts. De hoogvenen in Opsterland worden aangepakt, maar ook in Schoterland, Smallingerland en Groningen. Men investeert veel geld in de vervening, maar het levert hun ook veel geld op. Hier is de basis gelegd van het Van Teyensfortuin. Zo is Saco ook vennoot van de veencompagnie van De Rottevalle, van de veencompagnie de Bakkevenen en compagnon van Nijesloot.
 
In 1624 trouwt hij met Antje Andringa uit Oldeboorn. Zij is de dochter van Tinco Andringa, grietman van Utingeradeel en Sytske Bennedr Sjoerda. Dit echtpaar krijgt maar liefst 12 kinderen, waarvan de helft jong sterft. De kindersterfte is hoog in die tijd. Gebrek aan hygiëne is de oorzaak van deze hoge zuigelingensterfte.
Ze laten in 1635 twee portretten schilderen en in datzelfde jaar ook één van hun zoon Teye.
 
Saco overlijdt in 1650 en wordt binnen de kerkmuren begraven. Antje overleeft haar man maar liefst 35 jaar en is binnen de familie duidelijk een autoriteit. Zij overlijdt in 1685 en van haar is een rouwbord bewaard gebleven, dat nu in de kerk van Nuis hangt. Het echtpaar heeft in het Van Teyenshuis gewoond, dat stond op de plaats van het huidige Bordena (Zie op het kaartje van Ockinga).
 
Over de erfenis van Saco en Antje is door de kinderen veel strijd geleverd. Over de verhoudingen binnen de familie is daar veel uit te halen.
Vijf van hun kinderen zijn gehuwd en hebben nageslacht gekregen.
 
Froukje van Teyens trouwde met Theothardus van Heloma, grietman van Aengwirden. Dit echtpaar kreeg drie kinderen. Theothardus is door een ongeluk in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag om het leven gekomen. In een verslag staat dat de paarden op hol sloegen, Theothardus van de wagen viel en werd overreden. In een ander verhaal stond dat er een wiel van de wagen afschoot, waardoor Theothardus op de grond terecht kwam en de wagen over zijn hoofd heen reed. Dat gebeurde in 1657.
 
Jeltje van Teyens trouwde twee keer: 1. Anthonius Woltheri (ook wel Gualteri) waarbij zij drie kinderen kreeg, en 2. met Focke Fockes Eringa, secretaris van Smallingerland.
 
Foto: Iconografisch Bureau, ’s-Gravenhage. Teye van Teyens.

‚Äč

Teye van Teyens, die ongehuwd is gebleven en waar een schilderij van bestaat als kind van 5 jaar met zijn jachthond en familiewapen.

Teye heeft aan de Universiteit van Franeker filosofie en rechten gestudeerd. Hij volgde zijn vader in 1650 op als secretaris van Opsterland maar stierf reeds in 1654, 24 jaar oud.
 
Oene van Teyens is een echte houwdegen. Hij wordt militair en trouwt twee maal: 1. met Romelia Fockens, dochter van Saco Fockens, grietman van Opsterland en Lucia Siccama; 2. met Hyma Auwema, dochter van Iwo Auwema en Etta Coenders. Uit het eerste huwelijk werden 4 kinderen geboren, die allemaal als baby stierven. Tenslotte stierf Romelia ook in het kraambed. Van haar door en van de baby staat het volgende in de familiebijbel beschreven: ‘Den 17den aprilis 1674 is mijn veellieve huisfrou ’s morgens omtrent quartier voor vijf uiren seer Christelijck tot Beetsterswaeg inden Heere ontslaepen en is bij haer vader in den kelder geset ende begraven.’ Op de 13de was zij bevallen van een zoon, die Saco werd gedoopt, maar op de 26ste april overleed. ‘De 26sten dito is mijn voornoemde soontije Saco ’s morgens omtrent vijf uiren oock in den Heere gerust en in sijn moeders armen geleit ende also bij haeren ter aerde bestelt.’  Uit zijn tweede huwelijk zijn 12 kinderen geboren, waarvan er 9 binnen het eerste levensjaar overlijden. Van de overige drie kinderen trouwt de jongste zoon en krijgt nageslacht; zie Saco van Teyens (de jonge). De dochter Anna Ulcija van Teyens trouwt met Reint Eenens, een Gronings edelman. Dit echtpaar krijgt 6 kinderen waarvan 3 overlijden aan de kinderpokken evenals Anna Ulcija. In de bijbel staat deze aantekening: ‘Obiit neef Haijo Unico Eenens den 17den December 1730 in ‘t 22sten jaer sijnes ouderdoms. Obiit night Elisabeth Hijma Eenens den 20sten dito in ‘t 17 jaer haeres ouderdoms, obiit neef Willem Reint Eenens den 28sten dito in ‘t 11 jaer sijns ouderdoms aale drie aen de kinderpockens en sijn alle drie den 28sten dito op het choor van de kerk in de Nuis tussen de twee gestoeltens kist aan kist in stilte neergeset.’ Van Anna Ulcija staat er het volgende:
"Den 3den decembris 1730 morgens klock halff een uir is mijn veel geliefde suster Anna Ulcia Eenens, geboren Teyens, olt 43 jaren 9 maanden en 8 dagen op ’t Huis ter Heil een quartier buiten de Leek aan de kinder pockens seer christelijk in den Heere ontslapen en is den 19den dito op ’t choor van de kerck in de Nuis op de linkerhant aldernacht haer lieve moeder in stilte neergeset."
 
Tinco van Teyens, geboren in 1643 en gehuwd in 1665 met Wiskjen Fockens, dochter van de grietman van Opsterland, Saco Fockens en Lucia Siccama. Tinco vervult het ambt van secretaris van Opsterland van 1665 tot 1667, het jaar dat hij stierf. Van hem wordt getuigd dat hij zeer trouw was is datgene wat hij ondernam. Zijn opleiding heeft hij genoten aan de universiteit te Franeker waar hij actief was in het bestuur van het studentengenootschap. Uit zijn korte huwelijk zijn geen kinderen bekend. Wiskjen Fockens is na de dood van Tinco hertrouwd met Albert Christoffel Hania, een militair die zijn sporen verdiend heeft in de verdediging van Friesland in het rampjaar 1672, toen onze Republiek werd overvallen door Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen.
 
Binne of Benedictus van Teyens, geboren in 1646 te Beetsterzwaag. Benedictus is in het begin van zijn carrière militair, maar wordt in 1671 secretaris van Opsterland. Dat is hij tot zijn overlijden in 1678. Hij wordt begraven in de kerk van Beetsterzwaag. Hij trouwt met Lucia Fockens, dochter van de grietman van Opsterland, Saco Fockens en Lucia Siccama. Lucia overlijdt in 1685 en wordt bijgezet in de grafkelder van haar vader in het koor van de kerk te Beetsterzwaag. Benedictus en Lucia hebben 8 kinderen gekregen, waarvan de oudste en de jongste de volwassenheid hebben bereikt en zijn gehuwd. Zijn oudste kind, Romelia van Teyens, geboren in 1670, is gehuwd met Adriaan van Besten. Dit echtpaar kreeg één dochter, Etta Arnolda van Besten, die trouwde met haar achterneef Saco van Teyens (de jonge). Dit echtpaar komen we nog wel tegen. De jongste zoon, Saco van Teyens (de oude), geboren in 1676, heeft gestudeerd aan de universiteit van Groningen, is mede-gecommiteerde staat ten Landsdage, diaken en ouderling in de Hervormde kerk te Beetsterzwaag en gehuwd met Sytske Jansdochter. Dit echtpaar heeft hoogstwaarschijnlijk geen kinderen gekregen, waarmee deze tak van de Van Teyens uitsterft. Van Saco is een rouwbord bewaard gebleven, waarin hij het Van Teyenswapen combineert met het Fockenswapen. Als in 1692 de familie Fockens in mannelijke lijn uitsterft met het overlijden van Martinus Fockens, grietman van Opsterland, erft de familie Van Teyens het Fockensbezit, waaronder Fockensstate. Saco wil  wellicht deze erfenis van de Fockens een plaats geven in zijn wapen en voert dus het wapen van zijn moeder aan de linkerkant van het schild. Het is opmerkelijk dat drie Van Teyens-zonen huwen met drie Fockens-dochters! Men woonde in dezelfde plaats en wat is er gemakkelijker dat huwbare zonen huwbare dochters van eenzelfde stand trouwen. Zo heeft de familie Van Teyens zich in 1796 ontfermt over de rouwborden van de familie Fockens en deze een plaats gegeven in de Coendersborg, die door het huwelijk van Oene van Teyens met Hijma Auwema in handen van de Van Teyens viel.
 
De kinderen van Oene van Teyens en Hijma Auwema:
Yvo Bocke van Teyens: geboren 1694 te Beetsterzwaag. In de familiebijbel staat het volgende over hem vermeld: ‘Den 28sten aprilis 1694 den achtermiddags omtrent een uir sijnde een saterdaechs is mijn wel lieve huisfrou van een jonge zoon verlost ende is ’s anderen daegs in mijn presentie door mijn schoonsuster Wija Auwema te doop geholden en is door dominee Lidius Yvo Bocke gedoopt.’
Ivo wordt volmacht ten Landsdage genoemd in 1781 en ’82. Hij is niet gehuwd en heeft de leeftijd van 88 jaar bereikt. Op 22 juni 1782 is hij in de grafkelder in het koor van de kerk van Beetsterzwaag bijgezet.
 
Saco van Teyens (de jonge): geboren en gedoopt te Beetsterzwaag in 1697. Saco is volmacht ten Landsdage, ontvanger van de Opsterlandse Veencompagnie van 1739- 1774 administrateur en direkteur van de Folgera Veenen en ouderling van de Hervormde kerk te Beetsterzwaag. Een actief man die in 1774 op 77 jarige leeftijd overlijdt. Hij is getrouwd met zijn achternicht Etta Arnolda van Besten, dochter van Adriaan van Besten en Romelia van Teyens. ‘Den 8sten maaij 1718 heeft dominee Ulpianus van Sinderen mij, Saco van Teyens en de juffer Etta Arnolda van Besten in den houliken staat tot Beetsterswaagh bevestigt, mijn vrouw Etta A. van Besten is geboren 20 september tot ….’
Zij wonen op Fockensstate.
 

Fockensstate, gesticht in 1616 door Martinus Fockens, grietman van Opsterland en dat in 1879 vervangen werd door het huidige gebouw, een kleiner voorhuis van een boerderij.
In 1692 werd Fockensstate geërfd door de familie Van Teyens.
Foto uit: “Beetsterzwaag in beppe’s tijd”, door E. Huisman. Uitg. 1993.
Fockensstate, gesticht in 1616 door Martinus Fockens, grietman van Opsterland en dat in 1879 vervangen werd door het huidige gebouw, een kleiner voorhuis van een boerderij.
In 1692 werd Fockensstate geërfd door de familie Van Teyens.
 

 

 

 

Etta Arnolda van Besten overlijdt op 89 jarige leeftijd.
Zowel zij als haar man worden in de grafkelder in het koor van de kerk te Beetsterzwaag ‘sonder omstandigheit in stilte’ bijgezet.
Hun testament is in Beetsterzwaag opgemaakt en voorzien van een lakzegel, waarop het alliantiewapen het echtpaar Van Teyens-van Besten staat afgebeeld binnen een barokcartouche onder een eigenerfdenkroon: I en IV drie eikels, paalsgewijs geplaatst (Van Teyens); II. Een schuinbalk beladen met drie ringen (Van Besten); III. Drie aanziende moriaanshoofden, geplaatst 2:1 (Auwema).
In dit testament worden de volgende kinderen genoemd: Lucia Romelia, Oeno, Tinco, Hijma, Benedictus en Anna van Teyens.
 
In de Van Teyens Fundatie hangt van dit echtpaar een bijzondere rouwkas. Het is een zgn. tweelingkas, met daarin hun wapens.
 

Foto: Peter Karstkarel.

Tijdsbeeld 1800 - 1900

19de eeuw

Deze eeuw begint met de Franse bezetting, die ongeveer 20 jaar zou duren. Al heel gauw merkten de mensen dat de Fransen niet die vrijheid hadden gebracht, die ze zich voorstelden. De bevolking werd weer geplaagd met de hoge oorlogslasten van Frankrijk, waarbij ze weer hoge belastingen moesten opbrengen. De handel, waar ons land van leefde, werd stilgelegd, met name die op Engeland, een zeer belangrijke handelspartner. Het Continentaal Stelsel, door keizer Napoleon ingesteld, heeft ons land grote schade toegebracht. Voorts was daar de gedwongen loting, waarbij jonge mannen werden gedwongen dienst te nemen in het Franse leger. Vooral de veldtocht naar Rusland heeft duizenden landgenoten het leven gekost. Het gehele volk verarmde.
 
Toen ons land in 1814 een koninkrijk werd onder de oudste zoon van de laatste stadhouder, Willem I, moest hij een bijna failliete boedel nieuw leven inblazen. Door het oprichten van de Nederlandse Handelsmaatschappij, het aanpakken van de infrastructuur van het nieuwe koninkrijk, door het graven van kanalen, waarbij streken in het zuiden, oosten en noorden werden ontsloten, zodat zich daar ook industrie kon ontwikkelen, kwam ons land er weer enigszins bovenop. De bevolking was echter door ondervoeding zo achterop geraakt, dat er buitenlandse arbeidskrachten moesten worden aangetrokken om veel werk te doen.
 
In 1825 werd Friesland getroffen door een overstromingsramp, waarbij 2/3 deel van de provincie onder water werd gezet. Op 3 februari begon het zeer hard te waaien en tezamen met een springvloed braken in het zuidwesten de dijken en overstroomden Lemsterland en Weststellingwerf. Ook de binnendijken hielden het niet en daardoor stroomde het zeewater steeds verder het Friese land binnen, zelfs tot Drachten toe. Vooral het lage midden en het zuidwesten van de provincie hadden veel te lijden. De storm hield tot 8 februari aan. Veel mensen en vee verdronken in de koude golven. De Slachtedyk hield tenslotte op het nippertje, verdedigd met man en macht, het zeewater tegen. Gevolg was, dat bouw- en weiland werd bedorven door het zoute zeewater en 10 jaar lang geen vrucht opbracht. Het was vooral de laagveengrond, waar het zoute water diep in weg zakte, waardoor de grond zo stonk, dat er veel mensen ziek van werden en stierven. Ook malariakoortsen teisterden de mensen. Doktoren uit het hele land kwamen naar Friesland om de nood te lenigen.
 
Een heikel punt in de 19de eeuw was de toestand van de staatskerk. De koning regelde in een verordening de toestand in de kerk. Het was zo, dat de floreenplichtigen, degenen die de grondbelasting opbrachten, de macht hadden om de predikanten te kiezen. Wie veel grond in een bepaald dorp in bezit had, had in feite de macht om die kandidaat te benoemen die hem het beste uitkwam, maar waar de mensen in de kerk niet op zaten te wachten. Deze misstand heeft veel slechts gebracht aan de kerk, die langzaam aan leegstroomde, omdat de mensen liever luisterden naar mensen die een orthodoxe leer brachten. Zij scheidden zich van de kerk af en kwamen bijeen in schuren, op afgelegen plaatsen, in woningen, enz. deze bijeenkomsten werden verboden en de organisatoren met hoge boetes bestraft. Men haalde een Napoleontische wet van stal om bijeenkomsten van meer dan 20 mensen te verbieden. De vervolging van de afgescheidenen begon in 1832 en hield pas op in 1840, toen Willem II koning der Nederlanden werd. Niet alleen door de afscheiding liepen veel kerken leeg, ook door de geschriften van Franse en Engelse auteurs werd het gezag van de bijbel aangetast. De orthodoxe bevolking hield echter vast aan het gezag van de heilige Schrift. Deze beweging werd het Reveil genoemd. De godsdienstkwestie zou het land langer dan honderd jaar verscheuren. Hele dorpsgemeenschappen werden gespleten en kwamen vaak onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Vrijzinnigheid en rechtzinnigheid bepaalden het beeld van het land. In deze tijd ontstonden later in de 19de eeuw de gereformeerde kerken en werden er christelijke scholen gesticht. Ook in Beetsterzwaag was de dorpsgemeenschap gespleten in een vrijzinnig en rechtzinnig deel. Er werden twee predikanten benoemd, een vrijzinnige, die in de hoofdweme kwam te wonen, die in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag stond. En de rechtzinnige predikant vond zijn woning in Beets, bij de zgn. adelskerk. De familie Van Teyens vond in de vrijzinnige dorpskerk van Beetsterzwaag haar thuis en zelfs Oene had daar een werkzaam deel in de kerkvoogdij, waar hij toekeek op de financiën.
 
In 1845 werd de aardappeloogst aangetast door de aardappelziekte. Dat kwam omdat men geen wisselbouw toepaste. Daardoor werd er weer honger geleden op het platteland. Ook in 1846 en ’47 mislukte de aardappeloogst en ook andere veldvruchten mislukten, zodat men alleen maar grote bonen moest eten. De bevolking verarmde nog meer en velen moesten uit stelen gaan om nog iets te kunnen eten. Het kwam in de steden zelfs tot hongerrelletjes. Hierdoor en door de godsdienstige verdrukking emigreerden velen naar Amerika, waar men in alle vrijheid zijn geloof kon belijden. Amerika was het land van de onbegrensde mogelijkheden, “it lân fan dream en winsken”.
 
In het veeteeltgebied ging het aanvankelijk goed. Door het nieuwe vee, het zwart-bonte ras, was de veepest overwonnen en werd de boterproductie, toen nog op de boerderij, een belangrijke inkomstenbron. De meeste boter ging naar Engeland waar een goede prijs voor werd betaald. Maar allengs kregen boterkooplieden het heft in handen en begon men te knoeien met minderwaardige boter uit andere streken en zelfs toen de margarine opkwam, werd er gemixt en versneden. In Engeland pruimde men de Friese boter niet meer en ging over op Deense boter, die van prima kwaliteit was en bleef. De opkomst van de zuivelfabrieken, coöperaties van boeren, heeft weer iets van de schade weten in te halen.
 
Landbouwers kwamen na 1877 in de knel met hun producten, toen uit Amerika graan kwam van goede kwaliteit en in grote hoeveelheden, zodat de Friese boer zijn product niet meer kwijt kon. Pas na 1900 zou het met de boerderij beter worden. Toen klauterden de bouw- en veeboeren weer bij de wal omhoog.
 
In de 19de eeuw veranderde het landschap tussen Heerenveen en Drachten ingrijpend door de laagveengraverij. Turfgravers uit Giethoorn kwamen in deze streek werken om het laagveen weg te graven en tot korte turf te maken. Grote delen veranderden in waterplassen, die later door maatregelen van hogerhand ingepolderd moesten worden. De slechte toestanden in het veen onder de arbeiders te Beets is maar al te zeer bekend. Stakingen werden er zo nu en dan georganiseerd om de lonen wat meer omhoog te trekken. In Beetsterzwaag trokken de “hoge heren” zich weinig aan van de armoede in deze streken. De veenarbeiders raakten door de gedwongen nering bij de veenbaas nooit van hun schulden af. Je zou bijna kunnen spreken van moderne slavernij. Ds. Verbrugghen uit Beetsterzwaag heeft getracht een beetje verlichting in de toestand te brengen. Hij bouwde een klein houten kerkje en preekte er twee maal per week, waarbij hij snert uitdeelde aan de bezoekers. Deze zgn. “snertpreken” werden door velen bezocht. Ook probeerde hij het de bevolking door middel van vlecht- en houtsnijwerk in de wintertijd wat gemakkelijker te maken om inkomsten te verwerven. Hoewel hij niet vergeten is in het dorp Beets was het toch Domela Nieuwenhuis die hun spreekbuis werd en door de bevolking als hun “verlosser” werd vereerd.
 
Bronnen:

  • “Fan Fryslâns forline”, door H. Twerda.
  • “Opsterlân, skiednis fan in Wâldgritenij”, door S.J. van der Molen.

18de en 19de eeuw

De kinderen van Saco van Teyens (de jonge) en Etta Arnolda van Besten:
 
Dit echtpaar heeft 11 kinderen gekregen. Vijf kinderen zijn jong of als baby overleden. Van de andere zes zijn er vier ongehuwd gebleven en twee zijn getrouwd, waarvan alleen de jongste zoon nageslacht heeft gekregen. Deze Van Teyenstelgen leefden in een spannende en turbulente tijd.
 
We bekijken enkele van deze personen:
 
Lucia Romelia van Teyens: geboren in 1719 te Nuis en overleden in 1777 te Beetsterzwaag. Nuis is al eerder ter sprake gekomen. De familie bezat daar de Coendersborg, door erfenis verkregen uit de nalatenschap van Etta Coenders, de moeder van Hijma Auwema, de tweede echtgenote van Oene van Teyens.
De familie is blijkbaar na de geboorte van Lucia Romelia naar Beetsterzwaag verhuisd, want daar werd in 1721 een zoon Oeno geboren, die jong stierf.
 
Oeno van Teyens (een derde kind) werd in 1722 geboren te Beetsterzwaag. Van hem is bekend dat hij ontvanger van Opsterland was; in de Franse tijd (1795) lid van de municipaliteit van Opsterland en representant van het Friese volk (1795). Hij studeerde in Franeker rechten. Hij was duidelijk een aanhanger van de nieuwe tijd, die met de franse revolutie aanbrak en wellicht heeft hij samen met dominee Seger van Arnhem Cloeck en Ayso van Boelens uit Olterterp om de vrijheidsboom gedanst. Hij is ongehuwd. In de Leeuwarder Courant staat een overlijdensadvertentie van hem namens de familie:
 
‘Het heeft de almagtigen God behaagd, na een lange zukkelinge (en daarbij komende verval van kragten) van ongeveer 10 weeken, op heden den 6den May ’s voordemiddags om tien uur deze Weereld op te eischen, den Heer Oeno van Teyens, in den hogen ouderdom van tachtig jaaren en een maand, geve door dezen kennis aan Vrienden, en goede Bekenden, verzoeke van Brieven van Rouwbeklag verschoont te blyven. Beetsterzwaag den 7den May 1801. Tinco van Teyens. Mede uit naam van myn Broeder en Zuster.’
 
Tinco van Teyens, geboren in 1727 en overleden in 1808. hij was secretaris van de grietenij Utingeradeel van 1768 tot 1796 en woonde daarbij in Oldeboorn. Samen met zijn zuster Hijma en broeder Benedictus draagt hij bij aan de bouwkosten van de nieuwe kerk te Beetsterzwaag. Dat staat ook op de gedenksteen in de toren vermeld. De laatste jaren van zijn leven heeft hij bij zijn zuster Hijma doorgebracht, die in de Leeuwarder Courant zijn overlijden aankondigt. Ze maakt daarbij melding dat zijn overlijden voor haar een einde maakte aan een voor haar ‘zo gezellig leven’.
 
Hijma van Teyens, geboren in 1734 te Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1816. Hijma leeft van de opbrengst van de pachten van haar landerijen. Zij heeft ook de Coendersborg laten verbouwen in 1813 en draagt bij aan de bouwkosten van de nieuwe kerk te Beetsterzwaag in 1803 (zie pag. dorpskerk).

 

 

Benedictus van Teyens, geboren in 1736 en overleden in 1804 te Beetsterzwaag. Hij is secretaris van Opsterland en ontvanger van de Opsterlandse Veencompagnie en in de Franse tijd (na 1795) lid van het gemeentebestuur van het district Opsterland. Hij is lang vrijgezel geweest. Blijkbaar wetenden dat hij de laatste Van Teyens zou zijn als hij niet trouwde en kinderen kreeg, is hij in 1795 getrouwd met zijn huishoudster Froukjen Alberts. Bij haar heeft hij drie kinderen gekregen. Enkele weken voor zijn overlijden maakt Benedictus zijn testament. Hierin staat het volgende beschreven:
 
‘Zolang de kinderen bij Frouckje in huis zijn, zal zij een jaarlijks kostgeld van 250 Caroli guldens ontvangen, terwijl overige kosten zoals kleding uit de boedel betaald zullen worden. Frouckje zelf ontvangt twee paarden, twaalf koeien, vier wagens, zoveel land als zij voor haar vee nodig zal hebben en jaarlijks 800 Caroli guldens. De kinderen ontvangen bij meerderjarigheid het gehele vermogen van Benedictus op voorwaarde dat zij hun moeder tot aan haar door zullen blijven verzorgen.’  (Bron: “Een schat van een oma”  door Anky Mulder-Tits). Benedictus is als laatste van de familie bijgezet in de grafkelder in het koor van de kerk te Beetsterzwaag. Froukje Alberts is met de drie kinderen blijven wonen op Fockensstate, waar zij in 1853 overlijdt. Zij wordt aan de noordkant van de kerk, vlak bij de grafkelder binnen de kerk, begraven. Het graf, waar ook haar drie kinderen zijn bijgezet wordt nog steeds onderhouden door de Van Teyens Fundatie.
Na de dood van Benedictus wordt Rinze Melles, koopman te Beetsterzwaag, gevraagd om de administratie over de goederen van de Van Teyens te voeren, hetgeen hij ook gedaan heeft.
 
De laatste drie Van Teyens: 

Etta Arnolda van Teyens, geboren in 1796 te Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1862. Etta Arnolda is nooit getrouwd geweest. Haar scholing heeft ze in Leeuwarden ontvangen en daarna heeft ze haar leven lang in het Van Teyenshuis in de Hoofdstraat van Beetsterzwaag gewoond. Van haar is bekend dat zij ontvangsten hield voor de notabelen van het dorp.
Ze was van alle dingen in het dorp op de hoogte. In de roman “Willem van Harpen’s leerjaren” door Albert Jan ten Brink (uitgave 1871) worden deze ontvangsten beschreven ten huize van de familie Van Zeuren, hetgeen iets duidelijk maakt over die bijeenkomsten. Naast haar woonde in een huis van de familie Van Teyens hun huisarts Joachimus Lunsingh Tonckens. Zijn echtgenote, Helena Aletta Koumans Smeding en haar moeder Johanne Vitringa Coulon, waren vriendinnen van Etta Arnolda, overgehouden aan haar studietijd in Leeuwarden. Het echtpaar Tonckens was huisvriend van de Van Teyens. Geen wonder ook dat zij tot universeel erfgenaam werden benoemd, omdat er geen verder nageslacht van de Van Teyens over was. Op enkele legaten na aan personeel en liefdadige instellingen, kwam nagenoeg het gehele vermogen, landerijen, huizen, boerderijen en bos in handen van de dokter.
 
Of de goede verhoudingen met de dokter tot het einde toe bewaard zijn gebleven, is niet zeker, want toen Etta op haar sterfbed een bord rijst te eten kreeg zou ze de dokter hebben toegeroepen: “Moordenaar!” Of de rijst inderdaad vergiftigd is geweest is niet bekend. Wel dat ze na het eten ervan is overleden.
 
Saco van Teyens,  geboren in 1797 te Beetsterzwaag en overleden aldaar in 1857. Saco is nooit getrouwd. Hij studeert in Leeuwarden en Groningen aan de universiteit, waar hij in 1823 promoveert. Zijn proefschrift wordt bewaard in Tresoar te Leeuwarden. Na zijn studie keert hij naar Beetsterzwaag terug waar hij inwoont bij zijn zuster in het van Teyenshuis. Saco is in 1835 benoemd tot grietman van Opsterland en treedt dus in de voetsporen van zijn eerste voorvader Sierck Arents, die dat was in Smallingerland in het begin  van de 16de eeuw.
Hij is dat tot 1851 gebleven. De nieuwe gemeentewet maakte een eind aan het grietmanschap en de grietman werd burgemeester. Dit ambt heeft Saco tot zijn dood in 1857 bekleed. Na de dood van zijn moeder in 1853 is hij naar Fockensstate verhuisd waar hij in 1857 een eind aan zijn leven maakte. Tragisch! Hij heeft geen testament gemaakt, zodat zijn vermogen naar Etta Arnolda en Oeno is gegaan.
 
Oeno van Teyens, geboren in 1798 te Beetsterzwaag en overleden in 1866 aldaar.
Hij is evenals zijn broer Saco en zuster Etta Arnolda ongehuwd gebleven, waardoor het geslacht Van Teyens met zijn heengaan uitsterft. Oeno is landeigenaar en drijft met zijn moeder aanvankelijk de boerderij op Fockensstate. In het dorp staat hij bekend als ‘gekke Oene’. Er zijn verschillende zienswijzen op deze laatste Van Teyens. Dat dit bekend is geworden is te danken aan het laatste testament van Oene, dat door notaris Andreae te Beetsterzwaag is opgemaakt. Dit testament, het 2de, werd op 12 maart 1859 opgemaakt, evenals het testament van zijn zuster Etta en dat in grote lijnen met dat van Oene overeenkomt. Een groot bedrag en enkele huizen zijn bestemd voor de in 1858 opgerichte Van Teyens Fundatie. Ook een ver familielid, Marcus van Heloma (zie VI.a) krijgt een deel van de erfenis, o.a. Fockensstate. In het testament staat: “Ik benoem tot mijn eenige en universeele erfgenamen den heer Joachimus Lunsingh Tonckens en zijn echtgenoote vrouw Helena Aletta Koumans Smedingh.”
 
Als de dochter van de dokter en de zoon van notaris Andreae met elkaar trouwen is het vermogen van de Van Teyens in handen gekomen van twee invloedrijke families te Beetsterzwaag.
Anky Mulder-Tits vertelt in haar boekje dat dokter Tonckens de legaten, die aan familieleden van Froukjen Alberts worden nagelaten, door herauten te paard worden overhandigd. Toch is de familie van Froukjen Alberts niet tevreden met deze fooi. Volgens hen kleven er onrechtmatigheden aan het testament en zij vechten dit aan bij de rechter. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat Oeno eigenlijk onbekwaam was om een testament te maken, dat hij krankzinnig zou zijn. De keukenmeid van de familie Tonckens, Theodora Muhlschlegel, verklaart dat Oeno niet een “dierbare huisvriend” was, zoals de dokter verklaard had. Oeno mocht zelfs niet binnen komen in de woonkamer. Alleen in de keuken mocht hij komen, waar Theodora zich over hem ontfermde. Anky Mulder schrijft het volgende: “de man was vaak angstig en hield zich gewapend met een stok onzichtbare honden van het lijf. Oeno was vervuild en droeg ’s zomers veel kleren over elkaar. Theodora had hem ooit in het kippenhok als razende tekeer zien gaan.” Theodora getuigde van het gedrag van dokter Tonckens in de late avond van 2 februari  1862, enkele uren voor Etta’s overlijden. Ze had gezien dat de dokter zware kisten uit het huis van de Van Teyens via een plank over de sloot naar het huis van de dokter droeg.  Mevrouw Tonckens merkte dat de meid meer gezien had dan wenselijk was en ontsloeg haar. Een andere getuige, Rinse Bos, had gezien dat toen de kisten geopend werden, er allemaal gouden en zilveren voorwerpen inzaten, die toebehoorden aan de familie Van Teyens.
Hemminga, de tuinman van de Van Teyens verklaarde dat dokter Tonckens Oeno vlak voor zijn dood een “pikbal” gaf waar hij zo dol op was. En Take Wiersma vertelde de rechter dat zij, hoewel dat ongebruikelijk was, ’s avonds een bord gortpap voor Oene klaar moest maken, waarna hij, na het gegeten te hebben, even later stierf.
Over zijn gedrag: als Oene ging wandelen, ging er altijd een begeleider met hem mee. Dat was Jan Reinder de Haan. Deze hield hem stevig bij de arm vast. Als het buiten regende zat hij met een zuidwester op in de woonkamer. En soms imiteerde hij een kip of een haan.
Er waren echter ook verklaringen à décharge: de pachters en ook de Baron van Harinxma verklaarden dat Oene de financiën van de familie goed op orde had, en dat van krankzinnigheid in het geheel geen sprake was. Dat hij een eigenaardig man was, dat is wel zeker, maar nog geen reden om hem ontoerekeningsvatbaar te verklaren bij het opmaken van zijn testament.
Over de erfenis is jaren achter elkaar geprocedeerd door de familie van Froukjen Alberts. In 1892, 1912, 1915-1917, 1941 en 1965. De rechter heeft echter steeds de eisen afgewezen. Oeno van Teyens,is als laatste van zijn geslacht bijgezet in het graf naast zijn moeder, broeder en zuster op het kerkhof te Beetsterzwaag.


Het hoge huis, waar de auto voor staat, is in 1868 gebouwd door dokter Tonckens van de erfenis van de Van Teyens. Het huis staat momenteel bekend als ‘Bordena’. Het staat vast aan het grijze huis links op de foto dat het oude Van Teyenshuis is. In 1980 is dit oude huis afgebroken om plaats te maken voor een nieuw en hoger huis dat aansluit op het huis Bordena. Omdat er in de volksmond sprake was van een ‘schat van de Van Teyens’ werd bij de afbraak uitgekeken naar deze schat.
En …… er kwam wel degelijk wat tussen de muren en plafonds vandaan: Turf! Gebruikt als een vroege vorm van isolatie.

En turf was de basis van het
Van Teyensvermogen.